Naar inhoud
persoonsgebonden zaken / veiligheid

Markt 1
2450 Meerhout


T 014 24 99 27
F 014 24 99 57
E-mail

Meer info

Brandverzekering - attest handelszaak

brandweerwagen






 

Objectieve aansprakelijkheid

De wet van 30 juli 1979 voorziet in een fonds voor preventie en bestrijding tegen brand en ontploffing. Dit fonds staat in voor de financiering van de beroepsopleiding van de brandweer en de civiele bescherming. Het fonds financiert ook het onderzoek en de informatie betreffende de preventie en bestrijding van brand en ontploffing.

Vermits zelfs het beste preventiebeleid niet elk schadegeval kan voorkomen, heeft de wetgever geoordeeld dat ingeval van schade, de slachtoffers moeten kunnen rekenen op een behoorlijke vergoeding.
Deze vergoeding wordt voorzien via de verplichte burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekering inzake brand en ontploffing.


Wat is nu die objectieve aansprakelijkheid?

De objectieve aansprakelijkheid geldt zowel voor de lichamelijke als voor de stoffelijke schade die aan derden wordt veroorzaakt door een brand en ontploffing en dit onverminderd het gewone verhaal op de personen die aansprakelijk zijn voor het schadegeval. Het klassieke foutbegrip wordt dus terzijde geschoven zodat de slachtoffers enkel hun schade moeten bewijzen en het oorzakelijk verband tussen deze schade en de brand of ontploffing.
Zelfs indien de aansprakelijkheid van een bepaalde persoon bewezen wordt, blijft de objectieve aansprakelijkheid bestaan.
De wet beperkt deze objectieve aansprakelijkheid tot:

  • 15 000 000 euro voor de lichamelijke schade
  • 750 000 euro voor de stoffelijke schade.

Deze beperking is van toepassing per schadegeval, onafhankelijk van het aantal slachtoffers.


Wie zijn derden?

De wet spreekt van schade veroorzaakt aan derden zonder dat dit begrip verduidelijkt wordt. Derden wordt heel ruim opgevat. Zo worden alvast bedoeld alle personen die door het schadegeval benadeeld werden en op wie de objectieve aansprakelijkheid niet rust. Hiertoe behoren dus ook het personeel, de buren, de voorbijgangers en zelfs de eigenaar van het gebouw dat door de inrichting gehuurd of gebruikt wordt of andere personen die in een contractuele relatie staan met de inrichting.


Op welke inrichtingen is de wet van toepassing?

Het Koninklijk besluit van 28 februari 1991 somt een reeks inrichtingen op die vallen onder de wettelijke regeling.
De exploitanten (in sommige gevallen de gebruikers of eigenaars) van deze inrichtingen moeten een verzekering tot dekking van hun burgerrechtelijke aansprakelijkheid afsluiten. De verzekeringsinstelling dient de burgemeester van de gemeente waar de inrichting zich bevindt per aangetekende brief hiervan in kennis te stellen. Dit attest is éénmalig en moet niet stelselmatig vernieuwd worden bij de stilzwijgende verlenging van de verzekering. Eveneens dient elke wijziging, opzegging, schorsing of stopzetting ogenblikkelijk gemeld aan de burgemeester.

Voor de volledigheid geven wij hier de integrale lijst van de inrichtingen op wie de wet van toepassing is:

  • dancings, discotheken en alle openbare gelegenheden waar gedanst wordt (hieronder vallen ook de openluchtbals)
  • restaurants, frituren en drankgelegenheden wanneer de totale voor het publiek toegankelijke oppervlakte ten minste 50 vierkante meter bedraagt (per inrichting berekend, terrassen meegeteld)
  • hotels en motels met ten minste 4 kamers én die ten minste 10 klanten kunnen ontvangen
  • kleinhandelswinkels waarvan de verkoopruimte en de aanpalende opslagruimte een totale oppervlakte telt van ten minste 1 000 vierkante meter (hier wordt bedoeld elke verkoop aan de particulier, parkings worden niet meegeteld tenzij zij voor de detailverkoop worden benut)
  • jeugdherbergen
  • artistieke cabarets en circussen
  • bioscopen en theaters
  • casino's
  • culturele centra
  • polyvalente zalen voor onder meer voorstellingen, openbare vergaderingen en sportmanifestaties (ook dus buurthuizen, parochiezalen, auditoria, enzovoort)
  • sportzalen, zwembaden, schaatsbanen, bowlings, fitnesscentra, gymnasium en bijhorende inrichtingen zoals douchecellen en kleedruimten (niet van toepassing op sportinrichtingen in open lucht)
  • schietstanden (ook voor boogschutters)
  • stadions
  • gesloten kermisinstallaties waarvan de totale voor het publiek toegankelijke oppervlakte ten minste 100 vierkante meter bedraagt
  • opblaasbare structuren (die overeind worden gehouden door een kunstmatig gecreëerde overdruk), de klassieke tenten vallen hier niet onder
  • de handelsgalerijen waarvan de totale voor het publiek toegankelijke oppervlakte gelijk is of groter dan 1 000 vierkante meter (het betreft de handelsgalerij als dusdanig)
  • pretparken en lunaparken
  • ziekenhuizen en verzorgingsinstellingen (die vallen onder de medische sector, bijvoorbeeld revalidatiecentra) (schoonheidsinstituten zoals sauna's vallen hier niet onder)
  • service-flatgebouwen voor bejaarden, de woningcomplexen met dienstverlening en de rustoorden
  • de inrichtingen voor onderwijs en beroepsopleiding (de sector van de permanente vorming valt hier niet onder)
  • kantoorgebouwen met een totale voor het publiek toegankelijke oppervlakte van ten minste 500 vierkante meter (de oppervlakte van de parkings in het gebouw gelegen wordt meegeteld; vanaf 500 vierkante meter valt heel het gebouw onder toepassing van de reglementering, hierin begrepen zijn de kantoorgebouwen gebruikt voor de uitoefening van vrije beroepen)
  • de stations, het geheel van metro-installaties en de luchthavens, inclusief perrons
  • de gebouwen van de hoven en rechtbanken.